Filzmoos

Het Oostenrijkse bergdorp Filzmoos is in tegenstelling tot veel andere wintersportgebieden zo klein dat ik me al binnen drie dagen haast een local voelde.



In deze tijd van het jaar wordt de Salt redactie overspoeld door persberichten van PR-bureaus waarin van de daken wordt geschreeuwd hoeveel sneeuwkanonnen erbij zijn gekomen, hoe veel sneller en groter de nieuwe liftsystemen zijn geworden en met hoeveel pistekilometers het gebied is uitgebreid. Alles om nóg meer mensen naar het gebied toe te trekken.

Niet dat ik het niet begrijp, ook de mensen die in deze gebieden wonen en hun geld verdienen met het toerisme, moeten hun schoorsteentjes laten roken. En het grote publiek is nu eenmaal te paaien met dit soort nieuws. Maar voor mij – en klaarblijkelijk ook voor een steeds groter wordende groep mensen die inmiddels gek wordt van de hoeveelheid keuzes -, is meer, meer en nog eens meer, vergelijkbaar met een overvolle koelkast. Ik zie niet meer wat erin ligt en heb amper de moed om het uit te zoeken. In plaats van gelukkig van de overvloed, word ik eerder sacherijnig. Het merendeel is over de datum omdat ik er niet aan toegekomen ben. Nooit eerder ben ik er zo van doordrongen geweest dat more juist less is’.

Sneeuwgat
In mijn behoefte aan overzicht, werd ik getipt over Filzmoos, in het Oostenrijkse Salzburgerland. Een klein skigebied met een groot geheim waarvan alleen de kenners op de hoogte schijnen te zijn. Filzmoos staat namelijk bekend als het ‘Schneeloch’ van Oostenrijk, het sneeuwgat, mijn vrije vertaling; het gat (zoals wij een godvergeten dorp zouden noemen) waar bakken met sneeuw vallen. Deze zege heeft Filzmoos te danken aan de Dachstein die op ‘kijkafstand’ ligt. Deze beroemde bergketen duwt de luchtstroom eerst langs zijn woeste wanden omhoog en loost direct hierna vrachtwagens vol met sneeuw. En precies op die plek ligt Filzmoos keihard te lachen.

Maar helemaal op zichzelf staat het kleine Filzmoos niet. Misschien toch een beetje bang dat het dorp in haar eentje niet ‘goed genoeg’ is, sloot Filzmoos zich aan bij de Ski Amadé, de reus uit de Alpen: vijf regio’s, 25 plaatsen, 860 pistekilometers en 270 liften. De echte pistejunk die het liefst zoveel mogelijk witte ‘lijnen’ wil opsnuiven, kan zijn hart hier dus echt wel ophalen. De gebieden zijn onderling niet allemaal met elkaar verbonden, dus wil je de hele Ski Amadé door, dan zul je gebruik moeten maken van de skibus of je auto.
Hoe groot, hoe veel, hoe lang; Ik wil het allemaal niet weten, het zal best dat de sneeuw nog witter is bij de buren. Ik besluit alléén in Filzmoos te blijven, wil wel eens weten hoe dat is. Bijkomend nadeel van zo’n overload, althans vind ik, is dat je bij een meerdaags verblijf wel betaalt voor het hele gebied. Of je er nu wel of geen gebruik van maakt en als je dan alleen gebruik maakt van de liften in Filzmoos (en het buurdorp Neuberg) heb je in verhouding een dure liftpas.

Ondanks dat Filzmoos onderdeel is van de Ski Amadé heeft het bergdorp toch een ‘status aparte’. Het is namelijk piepklein, er zijn slechts acht liften - waarvan een gondel, twee stoeltjesliften en voor de rest sleepjes - en er is, op een klein stuk na, geen enkele zwarte piste te vinden. De hardcore skiër of snowboarder laat Filzmoos dus al snel links liggen. Het gebied is hierdoor vooral mateloos populair bij families en mensen die de ‘ratrace’ op de piste graag vermijden. Het voordeel van families is dat zij vastzitten aan de vakantieperiodes en dat de periodes hier tussenin dus vrij rustig zijn. En in zo’n periode moet je toeslaan en dat deed ik dus. Ik had de pistes vrijwel voor me alleen en langer dan drie minuten heb ik niet in een liftrij gestaan. Ik geef toe, het einde van het seizoen was in zicht, maar dat bracht ook nog eens laagseizoensprijzen met zich mee.


De dorpsgek
Het is elf uur ‘s ochtends als ik in het zonovergoten Filzmoos aankom. Op mijn verkenningstocht door het dorp hoor ik in de verte een heuse jodelaar, iemand die het écht goed kan, los van het feit dat ik het afschuwelijk vind, mijn richting op komen. Nieuwsgierig wacht ik op wat er komen gaat. Er komt een arrenslee het dorp in met op de bok Georg Vierthaler, de filosofische ‘dorpsgek’ naar ik later verneem. Hij heeft zijn slee altijd gevuld met ‘hübsche Mädchen’ en lacht en zwaait iedereen als een soort sinterklaas toe. Ook ik krijg een hartelijk groet mijn richting op. Terwijl de man aan me voorbij glijdt hoor ik hem naar doorratelen. Ik moet er om lachen. Het blijkt dat ik zojuist de bekendste inwoner van het dorp ontmoet heb. Je kunt overigens ook niet om hem heen, kom ik later achter. Niet alleen vanwege zijn geschater, gejodel en geschreeuw, maar ook omdat de man een van de oudste hotels in Filzmoos, Mandlinghof-Fiakerwirt, middenin het dorp bezit. Ga er zeker eens aan het einde van de dag een drankje drinken en maak een rondje over het terrein. Het is een museum op zich, overal op zijn terrein vind je filosofische spreuken die je tot nadenken zouden moeten zetten.

‘Brandrecht’Ook ik stap die middag in een arrenslee, niet bij Georg maar weer bij een andere echte local, Anton (hoe kan het ook anders) die tot een van de gelukkige families in het dorp behoort die het zogenaamde ‘Brandrecht’ heeft. Een soort vergunning die je het recht geeft om zelf ‘Schnäpse’ te maken. ‘Schnäpse’ is een verzamelnaam voor alle drank die gebrand is. Het Brandrecht wordt in de familie van generatie op generatie doorgegeven. Sukkelend in de arrenslee, op weg naar de zes kilometer verderop liggende Oberhofalm (1268 meter), tovert Anton een flesje uit zijn binnenzak en laat mij proeven van zijn ‘Obstler’, een mix van vruchten en 40% alcohol. Pak aan, zo midden op de dag, ik voel het gelijk naar mijn kop stijgen.
Ik ben op weg naar de Oberhofalm omdat iemand me getipt heeft over deze plek, vanwege de waanzinnig mooie locatie en de bizar goede lunches. En er blijkt niets van gelogen te zijn. In deze hut wordt echt met liefde en ‘gaudi’ (plezier) gekookt. Alle ingrediënten zijn vers en de kok zelf komt bij me informeren of ik het lekker vind en geeft me uitleg over zijn zelfgekweekte kruid, Bärlauch. Het ruikt en smaakt naar knoflook en wordt in pasta’s, soep en salades gebruikt. Ik ben aangenaam verrast door zowel het eten, als de plek en de betrokkenheid van deze man.
Terug in het dorp besluit ik die middag nog even snel een paar afdalingen op de Grossberg te maken. Na twee uur snowboarden heb ik dan al zo ongeveer de helft van het aantal pistekilometers afgewerkt. Hahahaha.

De koffietest
In de dagen die volgen doorkruis ik het hele gebied wat een eitje is want er is, als je afgaat op ‘de cijfers’ natuurlijk helemaal niets. Maar less blijkt gelukkig ook hier more. Heel veel ruimte op de piste, nergens wachttijden en stress bij de liften en heel veel tijd voor gesprekjes. Mijn favoriete afdaling vind ik op de Moosalm, de enige afdaling onder de Papageno gondellift. Breed, lang en vanwege de noordhelling blijft de sneeuw hier lang goed. Achter elkaar race ik hier van die baan af tot de laatste lift mij een halt toeroept.
Als liefhebber van een goede cappuccino doe ik ook altijd een koffietest. Gedurende mijn verblijf heb ik alle bergrestaurants gehad (ook dat lukt met gemak), en het restaurant op de top van de Kleinbergalm wint met vlag en wimpel. Niet alleen de cappuccino is hier top, ook de Apfelstrudel met vanillesaus is een absolute winnaar. Bovendien ‘waagde’ deze hut het ook nog wel eens om andere muziek dan dat Oostenrijkse ‘gejengel’ op te zetten en dat was pas echt een opluchting.


Op pad met een bioloog
Op aanraden van alweer een local, het is soms alsof ik hier al jaren kom, schrijf ik me op de laatste dag van mijn verblijf in voor een snowshoe hike met een berggids annex bioloog. En met name dit laatste blijkt echt geweldig te zijn. Nooit eerder heb ik zoveel leuke details over de bergen leren kennen. De man, Edi Vierthaler (inderdaad, verre familie van Georg) sleept je mee dwars door de bergen, ver van het gebaande pad vandaan. Dat gesjouw door die bergen, gesleur door die sneeuw met de ijle lucht brandend in je neus en keel; ik word er telkens weer intens gelukkig van. Ik ga zo op in die immense ruimte en stilte dat ik zo aan alles voorbij zou lopen. Maar gelukkig is daar het arendsoog van Edi die alle ziet. Zoals sporen van slaapplaatsen van reeën, bomen die bezocht zijn door spechten en ‘’vlechten’ gevormd door schimmels en algen. Met een loep drukt hij je letterlijk op de prachtige feiten. Hij vertelt je het verschil tussen dennen- en naaldbomen en dat de lariks de enige naaldboom is die zijn naalden verliest en er hierdoor uitziet als een dooie pier. Niets hoogdravends allemaal, maar verrassend genoeg om het als leek leuk te vinden. Zo’n hike duurt alles bij elkaar, met een warme chocolademelk in mijn favoriete berghut als afsluiting, zo’n drie uur en ik vond het echt een feestje.

Na een kleine week heb ik alle pistes gehad, in alle liften gezeten, evenals in alle bergrestaurants. Heb ik kennis gemaakt met de bekende dorpsfamilie Vierthaler en werd ik bij vertrek uitgezwaaid. Ik geloof niet dat ik dit allemaal eerder heb meegemaakt. Vaak keren mensen terug omdat ze nog lang niet alles van een bepaald gebied hebben gezien. Ik denk dat ik terugkeer naar Filzmoos omdat ik juist alles heb gezien. Zoveel kan niets dus zijn. Ik hoop dat ze het lef hebben om het zo te houden.

Meer informatie
Filzmoos.at
Filzmoosalpin.at (de school van berggids en bioloog Edi Vierthaler)
Salzburgersportwelt.com (Ski Amadé)

Bereikbaarheid

Filzmoos ligt op een kleine 1000 kilometer van Utrecht en is dus in een dag te rijden. Ik koos voor de nachttrein, voor de luxe van de City Night Line die mij in één streep van Utrecht naar Bischofshofen bracht. Ik koos voor de luxe van een 2-persoonscoupé mét douce en wc. Ik wist ook niet dat dit bestond, maar ik betaalde met liefde iets meer dan € 200 (retour) voor deze ongekende luxe. Van Bischofshofen naar Filzmoos is nog 30 km die ik met de bus deed. Treinreiswinkel.nl

Wait for it...