Reisverhaal: The Good, The Bad & The Ugly in South-Dakota

Het échte Wilde Westen van Amerika ligt in South Dakota. Cowboys, indianen, gokkers en goudzoekers vochten elkaar hier ooit de tent uit. Hoewel de strijdbijl al lang is begraven, struikel je in het land van bizons en Badlands nog steeds over sporen uit het ruige verleden.


“Yihaaaa!” Een langgerekte kreet ontsnapt uit mijn mond. Dik dertienhonderd op hol geslagen bizons denderen over de golvende prairieheuvels op me af. De chauffeur van de pick-up waarop ik sta geeft vol gas om de opgefokte kolossen, zo groot als een Fiat 500, te ontwijken. Zelf moet ik alle zeilen bijzetten om niet van de hobbelende laadbak te vallen. Boven het oorverdovende geroffel van ontelbare hoeven klinken plotsklaps schoten. Door een wolk van stof en gras zie ik dat de naast de kudde galopperende cowboys niet hun pistolen, maar hun zweep laten knallen. Niet om de dieren mee af te ranselen, maar om ze bij elkaar te houden; het galmende zweepgeluid klinkt als een pistoolschot en drijft de wispelturige bizons de goede kant op. Richting de openstaande hekken van de verderop liggende veekraal. Het klappen van de zweep, de stoere cowboys en cowgirls, de indringende geur van de prairie en de bizons, de wapperende Amerikaanse vlaggen; het is alsof ik in een western verzeild ben geraakt. Ik waan me een op pruimtabak kauwende Clint Eastwood in The Good, The Bad & The Ugly. Van spanning schreeuw ik de ene ‘yihaaaa’ na de andere. Omdat alleen zeer ervaren wranglers dit niet ongevaarlijke klusje, de zogeheten Buffalo Roundup, mogen klaren zit ik – goddank - niet op een paard maar in een van de meerijdende auto’s. Het mag de pret niet drukken. Al sinds de vroege ochtend geniet ik in Custer State Park, in het westen van de Amerikaanse staat South Dakota, van dit wildwestfeest.


Buffalo Roundup
Een luide stem klinkt in mijn oren. Als een neergeschoten revolverheld die na een shoot out overeind krabbelt, kom ik weer bij mijn positieven. Ik kijk opzij en staar verschrikt in het gelooide gelaat van één van de vijftig cowboys die de koppige spierbundels in het gareel moet zien te houden. “Hold on to your hat son. It’s gonna get all kinds of crazy. Make sure you hold on to something” roept hij boven het gestamp uit. “You don’t wanna get trampled.” Nog voordat ik iets kan zeggen geeft de Chuck Norris lookalike zijn gevlekte paard vakkundig de sporen. Wat volgt is een uur denderende actie waarover de cowboy niets teveel heeft gezegd. En dan is het plots voorbij. Gedwee geven de donkerbruine wildebrassen zich gewonnen. Met speels gemak manen de ruiters de uitgebluste troep richting de corral. “De Roundup verliep vrij soepeltjes”, beaamt game warden Ron Tietsoord na afloop. Met zijn pistool, zweep, gespoorde laarzen en grote cowboyhoed oogt hij als een onvervalste sheriff. ”Door het uitzonderlijk warme weer van de afgelopen weken zijn de dieren een stuk slomer dan normaal. Ik heb ook wel eens meegemaakt dat een duizend kilo zwaar mannetje een auto omver kegelde. Waarom ik lijf en leden riskeer? Ik doe het voor God, familie en vaderland. En uiteraard voor good old fun.”
Onder het toeziend oog van een dolenthousiaste menigte, die het hele schouwspel vanaf de omringende heuvels met verrekijkers gadeslaat, worden de dieren tegen het middaguur in de kraal bijeengedreven, geïnspecteerd en gebrandmerkt. Behalve het in ere houden van een typische cowboytraditie is de jaarlijkse Buffalo Roundup in de Black Hills van Custer State Park ook broodnodig. “Zieke bizons worden na het bijeendrijven verzorgd en samen met het merendeel van de kudde weer vrijgelaten. Zo’n tweehonderd jonge stieren worden verkocht.” Volgens de opzichter is dit de enige manier om vandaag de dag een gezonde populatie op de been te houden en overbegrazing van het natuurgebied te voorkomen. Inmiddels is het stof neergedaald en meld ik me bij de Cuckwagon Cookout. Drie keer raden wat er op de barbecue ligt.


Trail of Tears
Ofschoon de stampvoetende spierbonken een verpletterende indruk op me hebben gemaakt, valt hun aantal in het niet bij de dertig miljoen(!) bizons die hier voor de komst van de blanke kolonisten rondzwierven. Grootschalige en nutteloze jacht dreef het ras aan het einde van de 19e eeuw naar de rand van de afgrond. Jagers werden betaald, 25 cent per afgeschoten dier, om zoveel mogelijk bizons af te knallen. In het begin nog voor vlees en huiden, later gewoon voor de lol. Vanaf 1868 werd zelfs vanuit rijdende treinen, hunting trains genoemd, lukraak op nietsvermoedende kuddes geschoten. De oerbeesten vielen bij bosjes neer. Soms wel met duizenden tegelijk. Rottende kadavers bleven achter op prairie. Om meer over deze meedogenloze slachtpartij te weten te komen reis ik de volgende dag af naar het Tatanka bizonmuseum in Deadwood. Via de Needles Highway baan ik mezelf een weg richting het noorden. Naarmate de autokilometers vorderen maken lieflijke heuvels plaats voor een landschap van grillig pieken die als gekartelde broodmessen in een snijplank staan gekliefd. Onderweg zie ik overal bizons. Geen exemplaren van vlees en bloed maar neppers. Bizons als fietsenrek. Felgekleurde plastic bizons langs de kant van de weg. Bizons in de vorm van koelkastmagneten. Bizons als uithangborden. Bizons op bierblikjes. Na twee uur rijden vind ik op een heuvel net buiten Deadwood het museum dat geheel aan de wollige lobbesen is gewijd. Een van de eerste dingen die ik in het bescheiden bezoekerscentrum van Philip ‘Redbird’ Sharp leer is dat Tatanka door niemand minder dan Kevin Costner is opgericht. De acteur wilde na zijn kaskraker Dances with Wolves (1990) – de westernepos werd grotendeels in South Dakota opgenomen – iets voor de lokale Lakota-indianen terugdoen: hij besloot om boven op een heuvel een museum uit de grond te stampen. De breedgeschouderde museumgids – paardenstaart, bescheiden pratend – meldt het stoïcijns. Liever vertelt hij over de nauwe band tussen bizons en indianen. “De bizon, door mijn volk tatanka genoemd, was alles voor prairie-indianen. Veel nomadische stammen leefden van de bizonjacht en trokken met de zwervende kuddes mee. Een geschoten dier betekende niet alleen vlees om monden te voeden, maar ook: tenten (huid), medicijnen (staart), pijlpunten (hoorns), eten (bloed, hersens), messen (botten), waterzakken (maag), brandstof (poep) en ga zo maar door. Tatanka was voor indianen veel meer dan een beest, het was een heilig wezen”, doceert de Lakota bedaard. “Door de bizon grotendeels van de aardbodem te vegen, werd het groeiende indianenverzet tegen de oprukkende kolonisten gebroken. Beroofd van hun primaire bestaansmiddelen moesten veel indianen aan het einde van de 19e eeuw noodgedwongen hun nomadische bestaan opgeven”, doet hij uit de doeken. Als makke schapen werden ze uiteindelijk naar diverse reservaten afgevoerd. Deze gedwongen volksverhuizing zou als de Trail of Tears de geschiedenisboeken ingaan. “Tatanka werd gelukkig van de ondergang gered door een handjevol mannen dat rond de eeuwwisseling besloot om de paar honderd overgebleven dieren met hand en tand te beschermen. Een intensief fokprogramma heeft ervoor gezorgd dat er tegenwoordig weer zo’n vierhonderdduizend bizons in Noord-Amerika rondlopen.” Onder de beschermengelen bevond zich ironisch genoeg ook de wereldberoemde Buffalo Bill, de man die zijn carrière begon als schietgrage buffeljager maar zich op latere leeftijd alsnog inzette om zijn claim to fame te beschermen.


Goudzoekers en gunslingers
Na Philips indrukwekkende verhaal begeef ik me naar het nabijgelegen Deadwood, een authentiek wildweststadje in het hart van de vroegere Black Hills Gold Rush. In 1875 werd hier een gigantische goudader ontdekt. Gewapend met scheppen en staven dynamiet trokken tienduizenden hebberige gelukszoekers het onherbergzame (indianen)gebied binnen om een stuk grond te claimen en af te graven. Een enkeling werd steenrijk. De meesten verloren hun hele hebben en houwen. In het kielzog van de pioniers volgden gokkers, prostituees en revolverhelden. Outlaws deelden de lakens uit. Een mensenleven in Deadwood was minder waard dan een bezoekje aan de hoeren.
De goudzoekers, gokverslaafden en gunslingers zijn al lang en breed met de noorderzon vertrokken. In plaats daarvan zie ik op deze stralende dag een fraai westernstadje – in 1961 uitgeroepen tot National Historic Landmark. Vergeleken met de tijd van de goudkoorts verloopt het leven nu een stuk gemoedelijker. Hoewel, het merendeel van de historische kroegen, winkels en hotels is volgestouwd met gokkasten en roulettetafels. Opportunisten kunnen in dit mini-Las Vegas dus nog onverminderd aan hun trekken komen. Wie echter verder kijkt dan de kitscherige façades ziet volop sporen van het echte Wilde Westen. Zo bekijk ik in Deadwood Dick’s Saloon muren vol met vergeelde foto’s van goudzoekers die uitgeblust in de camera staren. In Saloon #10 word ik overstelpt met memorabilia van de beruchte Wild Bill Hickok. Ook fascinerend is het Adams House: in het propvolle museum schemert het patriottistische pioniersverleden trots door. Blinkende revolvers in stoere holsters. Zwart-wit portretten van indianenopperhoofden. Hoopvol geschreven claims van stukken grond. Oude krantenkoppen als ‘Wild Bill, the Indian Slayer’ en ‘The pistol princes strikes again.’ Na mijn bezoek loop ik nog even naar Mount Moriah Cemetery, de laatste rustplaats van beroemdheden als Calamity Jane, Seth Bullock en uiteraard Wild Bill Hickok. Verspreid over hun graven liggen bloemen, dollarmunten en speelkaarten. De herinnering aan de schietgrage schurken is nog springlevend.


The Deer Hunter
Zelf voel ik me iets minder fris als ik de volgende ochtend naast mijn bed sta. Lokaal gebrouwde rakkers met klinkende koppijnnamen als Pile O’Dirt en Wobling Wheel Scotch Ale hebben hun vernietigende werk gedaan. Met lood in mijn schoenen hobbel ik naar het tot koffieshop omgebouwde benzinestation waar ze ook fietsen verhuren. Het plan is om een flink stuk van de Mickelson Trail te volgen: een 172 kilometer lange wandel- en fietsroute die over oude spoorwegen van Deadwood naar Edgemont loopt. Via donkere tunnels, houten spoorbruggen en sloom slingerende gravelpaden zak ik vlotjes af naar het zuiden. Een Bob Ross-achtig landschap trekt voorbij. Ik trap langs dichtbegroeide boshellingen, kabbelende kronkelbeekjes en eenzame boerderijen. Na een kilometer of veertig kom ik aan in Rochford. Een gehucht van drie keer niks. Een paar houten huizen met her en der roestige autowrakken in de voortuin. Een thrift store met tweedehands rommel. En de Moonshine Gulch Saloon; een verlopen kroeg die probleemloos in een slechte film past. Net als de rest van de kroegtijgers overigens, een mix van locals, jagers en motorrijders. Ik bestel een biertje en een burger. Het goudgele vocht, toepasselijk genaamd Buffalo Sweat, glijdt gulzig naar binnen. Ondertussen schiet een in camouflagekleding gestoken man me aan. Verlegen om een praatje vertelt hij enthousiast dat hij zijn eigen kostje bij elkaar jaagt. Met een kruisboog. “In tegenstelling tot wat je misschien zou denken, kun je in South Dakota niet zomaar op dieren jagen. Zo ben ik in het bezit van een speciale jachtvergunning waardoor ik met een pijl en boog op pad mag”, verkondigt de gemoedelijke oldtimer. “Ga ik zonder vergunning jagen, dan hangt me een gevangenisstraf van minimaal twee jaar boven het hoofd. In het wilde weg jagen doe ik sowieso niet. Ik schiet alleen wat ik kan eten. Mijn favoriete dier is een Two Buck Deer. Na het schoonmaken verdwijnt een groot deel van het hertenvlees in mijn vriezer. De rest geef ik weg aan familie en vrienden. That’s the way it should be.” Een paar biertjes later neem ik joviaal afscheid van de deer hunter. Enigszins wiebelend begin ik aan de lange rit terug naar het revolverheldenstadje.


Great faces, great places
Bij het krieken van de dag rijd ik via lege achteraf weggetjes naar twee van de grootste monumenten ter wereld: Mount Rushmore en Crazy Horse. De opkomende zon trekt langzaam maar zeker zijn dieprode ochtendsluier van de ingeslapen rotsklompen af. De serene rust staat in schril contrast met het wapengekletter dat ooit vanuit de Black Hills opsteeg. In de 19e eeuw zagen de Sioux, een verzamelnaam voor de plaatselijke Nakota-, Lakota- en Dakota-indianen, met lede ogen aan hoe een onophoudelijke stroom kolonisten, goudzoekers en militairen steeds meer van hun land afsnoepten. Ze besloten om zich met hand en tand te verdedigen. Om hier een einde aan te maken sloot de Amerikaanse overheid in 1868 een overeenkomst met diverse indianenleiders. In The Treaty of Fort Laramie beloofden de nieuwkomers plechtig dat de Black Hills voor altijd in het bezit van de indianen zouden blijven. De blanke belofte hield nog geen tien jaar stand. De oorspronkelijke bewoners werden alsnog van hun geboortegronden getrapt en moesten verkassen naar de zinderende Badlands ten oosten van de Black Hills.
Des te schrijnender is het dat juist hier de reusachtige hoofden van vier Amerikaanse presidenten in de bergen werden uitgehouwen. Een klap in het gelaat van de indianen. Tussen 1927 en 1941 werkten vierhonderd man aan Mount Rushmore: een immens monument dat bestaat uit de achttien meter hoge gezichten van George Washington, Thomas Jefferson, Theodore Roosevelt en Abraham Lincoln. Ondanks dit pijnlijke verleden begrijp ik waarom busladingen Yanks naar het beeldhouwwerk in Keystone komen kijken. Zelfs als broodnuchtere Hollander ben ik behoorlijk onder de indruk van de granieten koppen. Dit zijn toch de mannen die de geschiedenis van het Vrije Westen een gezicht hebben gegeven. Stilzwijgend volg ik de Presidential Trail aan de voet van de berg. Ook mijn medebezoekers, voornamelijk Amerikanen, zijn duidelijk onder de indruk. De statige stilte wordt alleen doorbroken door bescheiden gefluister. Wat dat betreft is de slogan van de staat in het midwesten, Great Faces, Great Places, Amerikaans goed gekozen.


Indianen schreeuwden na de voltooiing van de Shrine of Democracy uiteraard moord en brand. Als antwoord op het blanke monument gaven ze de Pools-Amerikaanse beeldhouwer Korczak Ziolkowski in 1948 de opdracht om het hoofd van een van hun allergrootste leiders, Crazy Horse, uit de rotsen te houwen. Ziolkowski nam het aanbod met beide handen aan, maar gaf er tegelijkertijd zijn eigen draai aan: hij wilde de indianenleider strijdend op een paard afbeelden. De kunstenaar ging doldriest aan de slag en hakte er bijna veertig jaar lang als een bezetene op los. Moederziel alleen. Op steenworp afstand van Mount Rushmore. Zonder steun van de overheid. Het monnikenwerk vorderde tergend langzaam. Na zijn dood in 1982 namen zijn vrouw en kinderen het stokje over. In 1998 onthulden de Ziolkowskis met veel tamtam het 26 meter hoge indianengezicht. Het uit de rotsblokken gewassen eerbetoon moet uiteindelijk 172 meter hoog en 195 meter lang worden. Ter vergelijking: de Utrechtse Domtoren meet 112 meter en de piramide van Cheops steekt 139 meter de lucht in. Of het kolossale beeld ooit uit de berg zal verrijzen, is nog maar de vraag. Niemand durft een einddatum op het megalomane project te plakken.
Na een autoritje van twintig minuten doemt het resultaat van de Ziolkowski-familie voor me op. Ik zet de auto langs de kant van de weg stil en neem de tijd om het beeld in me op te nemen. Ik had van tevoren veel over Crazy Horse gelezen, maar word toch omver geblazen. Voor me torent een indianenhoofd als een Amerikaanse sfinx de strakblauwe hemel in. De fiere blik op oneindig. Een uitgestrekte arm met speer in de maak. Zelfs van een afstand zijn de afmetingen van het nieuwbakken wereldwonder hallucinerend groot. Dat het beeld van de onverbiddelijke verzetsheld waarschijnlijk nooit afkomt, vind ik eigenlijk wel mooi. Het past bij de tragiek die zijn volk is aangedaan.


Wounded Knee
Vastbesloten om meer over het tragische lot van de indianen te weten te komen breng ik de laatste dag van mijn rondrit een bezoek aan het Pine Ridge Indian Reservation. Op zo’n 140 kilometer ten zuidoosten van het Crazy Horse Memorial rijd ik de Badlands binnen. Ooit was dit een binnenzee, nu is het een nationaal park vol macaber mooie rotsformaties in vijftig tinten bruin. De verstilde schreeuw van Moeder Natuur maakt een verpletterende indruk op me. Alleen een handjevol springbokken, prairiehonden, adelaars en ratelslangen leven hier. En indianen. Even verderop ligt Porcupine. Een dorp in een zee van niets. Een witgeschilderd kerkje en een paar armzalige huisjes. Onvruchtbaar, gortdroog gebied. Indianen noemen het Mako Sica: ‘Slecht Land’. Nietige gehuchten als Porcupine staan volgens Gus ‘Yellow Hear’ symbool voor het leven in het reservaat. “Werkeloosheid, armoede, drugsmisbruik, het hoogste zelfmoordpercentage van Amerika: het leven in de rez gaat niet over rozen”, somt de gids van het Pine Ridge Visitor Center op.
Om zijn woorden kracht bij te zetten neemt hij me mee naar Wounded Knee: de plek waar op een koude decemberochtend in 1890 tweehonderd indianen op achterbakse wijze door het leger werden afgeslacht. Na nog geen tien minuten rijden stoppen we in de middle of nowhere op een troosteloze parkeerplaats. “Veel toeristen scheuren hier achteloos voorbij, maar dit is Wounded Knee, de plek waar het allemaal gebeurde.” Behalve een afgebladderd bord herinnert niets meer aan de slachting. In de verte tekent zich hier en daar een groepje huizen af. “Verspreid over deze vallei wonen de nazaten van de slachtoffers. Voor de meeste Amerikanen is Wounded Knee een afgesloten hoofdstuk. Voor hen is het een open wond waar ze nog dagelijks aan worden herinnerd”, vertelt Gus wrang. Een lange stilte volgt. Toch gloort er volgens hem hoop aan de horizon. “Steeds meer jongeren beseffen dat ze zich niet hoeven te schamen voor hun indiaanse afkomst. Sterker nog: door terug te gaan naar hun roots – respect voor anderen, onbaatzuchtigheid, zorg voor het land, – blijven meer en meer kids uit de greep van drank en drugs”, weet Gus. “What you give away, you keep. What you keep you lose." Zo vertelt hij dat de lokale Stronghold Society skateparken in het reservaat bouwt. De gedachte: zolang kinderen op hun skateboard staan verzuipen ze niet in een poel van ellende. Weer een stilte. Dan abrupt: “Kom, ik wil je wat laten zien.”


In zijn voetsporen beklim ik een roestbruine heuvel, dichtbij de weg. Bovenop ontvouwt zich een droevig geheel. Ik zie een haastig in elkaar gemetselde toegangspoort waarop een kruis prijkt. Daarachter is een rechthoekige lap grond afgezet met een lelijk hek. In het gaas steken veren, op de hoeken wapperen verkleurde lappen stof. Als ik dichterbij kom zie ik een overwoekerd veld waar her en der een grafsteen uitsteekt. “Na afloop van het bloedbad werden de lichamen door onverlaten in dit naamloze massagraf gedumpt. De gebedsvlaggen geven nazaten de kracht en wijsheid om het drama te verwerken”, mompelt Gus. Ik sta aan de grond genageld, weet niet goed wat ik moet zeggen. De lelijke waarheid komt hard aan. Het voelt alsof ik buiten westen word geslagen. In mijn hoofd klinkt het hartverscheurende Wounded Knee, de seventies hit van Redbone: ‘They made us many promises but always broke their word / They penned us in like buffalo, drove us like a herd / And finally on the reservation where we'd gone for our preservation, we were all wiped out by the seventh cavalry / We were all wounded at Wounded Knee, you and me.’


Meer informatie
- Buffalo Roundup De Roundup in Custer State Park vindt ieder jaar eind september plaats. De toegang is $ 20 per voertuig. Let wel: het spektakel is alleen te bekijken vanaf een heuveltop en niet vanuit een rijdende pick-up. Dit is alleen voorbehouden aan geluksvogels (redacteuren, fotografen etc.) zoals ik. Voor alle praktische informatie ga je naar gfp.sd.gov. Ook handig: travelsouthdakota.com

- Buffel of bizon? Rare jongens die Amerikanen. Hoewel ze het steevast over buffels hebben, zijn het toch echt bizons die over de prairie zwerven. Toen Franse kolonisten voor het eerst bizons zagen, dachten ze dat het ossen, boeufs, waren. Boeuf werd door knauwende cowboys verbasterd tot buffalo.


Bovenstaand reisverhaal hebben we uit Salt magazine geplukt. Meer leuke verhalen lezen? Haal nu Salt via de Salt Shop in huis.










Tekst: Ard Krikke
Beeld: Ard Krikke

Wait for it...