Reisreportage: Hollandse schaatskoorts

Nederlanders zijn stapelgek van natuurijs. Zo gek zelfs dat iedere kwakkelwinter een horde ijzervreters naar Oostenrijk afreist om eindeloze rondjes op een bergmeer te schaatsen. Waar komt deze schaatskoorts vandaan? Waarom hebben alleen Hollanders hier last van? Redacteur Ard Krikke bond de gladde ijzers onder en probeerde tijdens de Elfstedentocht op de Weissensee de koude drukte te doorgronden.


Hoeveel kilometer heb ik afgelegd? Honderdvijftig? Honderdzestig? Ik ben de tel allang kwijtgeraakt. Ik weet wel dat de laatste schaatsloodjes behoorlijk zwaar beginnen te wegen. Mijn vermoeide benen sputteren steeds meer tegen. De ijspegels in mijn baard groeien gestaag en koutranen trekken ijzige sporen over mijn wangen. Ik vrees dat de komende kilometers niet van een leien dakje zullen gaan, helemaal nu het waterige winterzonnetje achter de bergtoppen is gezakt, en de temperatuur een flinke duik neemt. Desondanks is een bevroren grijns op mijn gezicht gebeiteld. Schaatsen op natuurijs is namelijk het allermooiste dat er bestaat. Ook als het gaat om een 200 kilometer lange monstertocht, de Alternatieve Elfstedentocht op de Oostenrijkse Weissensee, en ik ter voorbereiding slechts een paar keer op het (kunst)ijs heb gestaan. Toch weet ik zeker dat ik op deze steenkoude januaridag de finish zal halen. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. Net zoals de andere deelnemers voel ik een onweerstaanbare drang om deze slijtageslag tot een goed einde te brengen. Waarom? Omdat schaatsen warme herinneringen aan vroeger oproept. Omdat het staat voor pure vrijheid. Omdat het een kwestie van volhouden, doorzetten, afzien én genieten is.


Oostenrijk kleurt oranje
Een dag voor de start van de Elfstedentocht struin ik nog zo fris als een hoentje door het centrum van Techendorf, een dorpje aan de oevers van de Weissensee. De komende twee weken fungeert het gehucht op 900 meter hoogte als uitvalsbasis voor diverse schaatsevenementen, waaronder vier Elfstedentochten (200 kilometer), twee prestatietochten (100 kilometer) en allerlei schaatsclinics. Overal om me heen zie ik symptomen van het natuurijsvirus de kop opsteken. Spandoeken met It Giet Oan voor de supermarkt. Rood-wit-blauwe vlaggen op hotelbalkons. Een reusachtige Friese doorloper langs de kant van de weg. En vanzelfsprekend een kleurrijke kluwen schaatsers die de eerste streken op het ijs zet.


Volgens Toine Doreleijers, voorzitter van het organisatiecomité dat de Alternatieve Elfstedentocht Weissensee (AEW) al 29 jaar op touw zet, is dit nog maar het topje van de ijsberg. “Alle hotels, huisjes en appartementen in de weide omgeving van Techendorf zitten straks stampvol met Nederlanders. Van schaatsclubs uit de Achterhoek tot toerrijders uit Friesland en feestvierders uit Brabant. In totaal verwelkomen we zo’n 5000 schaatsers”, vertelt Doreleijers enthousiast. De oud-commando – kale kop, scherpe geest, sterke blik – heeft zo meteen overleg met de plaatselijk ijsmeester, de ruim zeventigjarige Norbert Jank. “Hoewel het hier ’s winters vaak streng vriest, kan niet altijd een rondje over het hele meer worden uitgezet. Dit komt omdat de oostzijde van de plas tientallen meters diep is, waardoor het ijs daar meer tijd nodig heeft om te groeien. Dit jaar zijn de weergoden ons echter goed gezind. De laatste week was het Kaiserwetter: zonnig, maar steenkoud vriesweer met een diepblauwe, wolkeloze hemel. Ik verwacht dan ook dat Norbert het groene licht geeft voor de grote ronde, goed voor 16,6 kilometer.” Lachend: “Dit betekent dat je morgen twaalf ronden aan de bak moet. Makkie toch?”

Besmettelijk natuurijsvirus
Op de vraag waarom hordes ijzervreters zich ieder jaar op een langgerekt bergmeer in Karinthië, de meest zuidelijke provincie van Oostenrijk, een slag in de rondte rijden, hoeft Doreleijers niet lang na te denken. “Mensen willen buitenijs. Zeker nu echte winters in ons land steeds zeldzamer worden, groeit de behoefte aan schaatsen op natuurijs. Op de Weissensee houden we deze oer-Hollandse traditie in stand.”


Een korte rondvraag onder de aanwezige Nederlanders leert dat natuurijs inderdaad een magische aantrekkingskracht uitoefent. Kunstijs zien ze veelal als een noodzakelijk kwaad; ideaal om op te trainen, maar niet bijster leuk of heel spannend. Neem Jannie Kamphuis uit Hellendoorn. De krasse Sallandse reist ieder jaar met een bus vol plaatsgenoten naar de Weissensee af. Zelf doet ze al voor 25e keer mee aan de tocht: “Zomers zit ik op de racefiets en mountainbike, ’s winters sta ik 2 à 3 keer per week op de ijsbaan in Deventer. Waarom? Omdat ik hier wil genieten van echt ijs. Daarnaast houdt schaatsen me jong.” Ook Anne de Haan uit het Friese Hallum staat te trappelen om de ijzers uit het vet te halen. “Er is uiteraard maar één Tocht der Tochten, maar de Weissensee komt akelig dicht in de buurt van het echte werk. Daarom wil ik deze Elfstedentocht graag van mijn sportieve bucketlist afstrepen.” Mirjam Dijk uit Papendrecht vertelt dat schaatsen haar met de paplepel is ingegoten. “25 jaar geleden reed ik hier samen met mijn vader. Inmiddels is hij overleden aan ALS. Ik doe nu mee om zoveel mogelijk geld voor onderzoek naar deze slopende spierziekte in te zamelen.”


Kanonschoten
Diezelfde middag glip ik nog even naar de Weissensee voor een laatste proefrondje. Op een houten bankje voor de grote feesttent bind ik mijn klapschaatsen onder. De door bergtoppen omzoomde ijsvloer glimt als opgepoetst zilverwerk in het namiddagzonnetje. Plukjes schaatsers glijden vrolijk langs de oever. Ik zet af en rijd een tijdloos universum binnen. Handen op de rug, lichtjes door de knieën, lange slagen. Na een half uurtje heb ik de slag weer te pakken. Instinctief omzeil ik scheuren en hobbels. Het geluid van diepe kraken, alsof er kanonschoten onder het ijs worden afgevuurd, klinkt vertrouwd in de oren. Schaatsen is als fietsen; je verleert het nooit. Nu maar hopen dat mijn conditie, opgedaan door ontelbare rondjes over de hellingen van de Utrechtse Heuvelrug te mountainbiken, me morgen niet in de steek laat.

Rijk schaatsverleden
Terug in mijn hotel in Techendorf moet ik denken aan het boek 'Schaatsenrijden. Een Cultuurgeschiedenis' dat ik vlak voor vertrek naar Oostenrijk las. Hierin legt historicus en journalist Marnix Koolhaas uit waarom schaatsen bij Hollanders in het bloed zit. Volgens Koolhaas gingen Noord-Europeanen al duizenden jaren geleden met botten van runderen onder hun voeten gebonden het ijs op. Deze ‘schenkels’ werden rond 1200 vervangen door de eerste echte scaetsen: een stuk ijzer waarop een houten voetsteun was gemonteerd. Strenge winters en groeiende welvaart (waardoor ijzer goedkoper werd) zorgden ervoor dat schaatsenrijden in de Lage Landen wijd en zijd verbreid raakte. Plotseling konden boeren, burgers en buitenlui op één dag grote afstanden afleggen – iets dat tot dan toe was voorbehouden aan mensen die zich een dure trekschuit of koets konden permitteren. Behalve praktisch werden de iserine scoes ook voor vertier gebruikt; zwieren over het ijs was een welkom middel om aan de dagelijkse beslommeringen te ontsnappen.


Rond 1500 dook ijspret voor het eerst in de schilderkust op. Zo beeldde Jeroen Bosch op zijn wereldberoemde doek Tuin der Lusten een vreemde vogel met Friese doorlopers af en schilderde Pieter Brueghel de Oude op De Terugkeer van de Jagers een ijsbaantje met schuifelende dorpelingen. Minder onschuldig waren de sterke staaltjes die de troepen van Willem van Oranje tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1598-1648) uithaalden. Zo werden de Spaanse belegeraars tijdens het winterse beleg van Haarlem genadeloos door ‘scaetsende’ Geuzen in de pan gehakt. Volgens latere geschiedschrijving trachtten de glibberende en glijdende Spanjaarden ‘tevergeefs den strijd vol te houden tegen een vijand, die zich over de gladde vlakte bewoog als een vogel in de lucht. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders op hen in alsof het een charge van ruiterij was.’


Tijdens de reformatie, halverwege de 16e eeuw, verplaatst het zwaartepunt van de schaatscultuur zich van de zuidelijke Nederlanden naar het noorden, legt Koolhaas uit. Na de religieuze hervormingsdrift was het in grote delen van het land verboden om carnaval, een Katholiek volksfeest, te vieren. Hierdoor verdween de mogelijkheid om een paar weken per jaar ongestraft uit de band te springen. IJsvermaak kwam hiervoor in de plaats, met name boven de grote rivieren. Bevroren water was destijds een vrijplaats waar normen en waarden ongestraft door jan en alleman aan de laars gelapt mochten worden. Niet voor niets verstopte Hendrick Avercamp, een van de beroemdste Nederlandse winterschilders, vrijende stelletjes, uitglijdende dominees en poepende paupers in zijn landschappen.

Na een kleine schaatsdip in de 18e eeuw, waarin de gegoede burgerij glibberende glijpartijen als platvloers beschouwde, keerde de nieuwe industriële elite in de 19e eeuw terug naar het ijs. Talloze ijsclubs zagen het daglicht en evenzoveel natuurijsbanen werden uit de grond gestampt. Schaatswedstrijden, met name in Friesland, groeiden uit tot complete volksfeesten. Minder feestelijk was de finish van de allereerste Elfstedentocht in 1909. Slechts een handjevol toeschouwers had de moeite genomen om winnaar Minne Hoekstra, zoon van een schaatsenmaker, in Leeuwarden te onthalen. Een paar weken later werd de Vereniging de Friesche Elfsteden opgericht en groeide de Elfstedentocht uit tot een oer-Hollands symbool, besluit Koolhaas zijn verhaal. Niet verwonderlijk dus dat schaatsen op natuurijs een paar jaar geleden tot immaterieel erfgoed werd verklaard. Volgens het Kenniscentrum Cultureel Erfgoed, dat de voordracht van schaatsbond KNSB goedkeurde, zit schaatsenrijden op sloten, meren, vaarten, grachten en ijsbanen in het DNA van de Nederlander gebakken, en mag daarom niet ontbreken op de culturele erelijst van UNESCO.

Juichend over de finish
Terug naar het hier en nu, naar het schaatsfestijn op de Weissensee. Ik ben inmiddels 9 uur onderweg en aan mijn twaalfde rondje begonnen. Langzaam dringt het besef tot me door dat ik de eindstreep zal halen. Nog maar 16 kilometer en dan kan ik de monstertocht aan mijn erelijst toevoegen. Ik klamp aan bij twee krasse knarren die in volle vaart over het ijs vliegen. “Pik maar aan”, roept de achterste schaatser vanachter zijn bevroren shawl naar me. “We doen rustig aan hoor. Overmorgen staat de tweede 200 kilometer op het programma.” Ik ben te verbouwereerd om iets terug te zeggen. Zwijgend banen we ons een weg door het verstarde winterlandschap. Gelukkig zijn we bijna op het oostelijk deel van het meer, daar waar het ijs zwart is en de wind vol in de rug blaast.


Desalniettemin gaan de laatste paar kilometer me niet in de koude kleren zitten. Iedere slag werpt me verder terug in de tijd. Ik herinner me de krakkemikkige koek-en-zopie tentjes die erwtensoep verkopen. Ik schaats dik ingebakerd langs stilstaande molens en bevroren rietkragen. Ik zie weer hoe sputterende veegmachines in alle vroegte over het ijs borstelen. Ik stop een paar gulden in de veegpot van de lokale ijsclub. Ik leer met vallen en opstaan hoe pootje over werkt. En ik krabbel als klein jochie op veel te strak ondergebonden houtjes over een slootje achter mijn Friese vader aan. Stuk voor stuk onuitwisbare indrukken die zich als kruiend ijs opdringen.


Een kraakheldere stem brengt me weer bij mijn positieven. “Een warm applaus voor Ard Krikke uit Amersfoort. Zijn tijd: 10 uur en 15 minuten. Gefeliciteerd met je prestatie!”, knalt het uit de boxen die voor de feesttent staan opgesteld. Op het moment dat ik juichend onder de finishboog doorglijd, weet ik het zeker: schaatsen zit ook in mijn bloed. Het is alsof ik een oude vriend tegen het lijf ben gelopen en de draad weer heb opgepikt. Tijd heeft geen vat op schaatsen. Het verklaart waarom ik iedere winter zo koortsachtig naar natuurijs verlang.


Zelf de schaatsen onderbinden
Het natuurijsfeest vindt dit jaar plaats van 21 januari t/m 1 februari. Op het tot in de puntjes georganiseerde programma staan vier Elfstedentochten (200 km), drie prestatietochten (100 km) en een wintertriathlon. Daarnaast bieden diverse clinics je de mogelijkheid om je vaardigheden bij te slijpen. Terplekke (toerklap)schaatsen huren is mogelijk. Meedoen heeft uiteraard alleen zin als je over de nodige schaatservaring beschikt en een bovengemiddeld uithoudingsvermogen hebt. Let wel: goede schaatstechniek is belangrijker dan een berenconditie. Inschrijven via weissensee.nl. Even geen trek in ijs? Het winterwonderlandschap in de buurt van Techendorf leent zich ook prima voor een potje ijsduiken, sneeuwschoenwandelen, rodelen, skiën en snowboarden. Een overzicht van alle wintersportmogelijkheden vind je op weissensee.com.





tekst & foto's: Ard Krikke

Bovenstaand artikel komt uit de 2017 wintereditie van Salt magazine. Nog geen Salt? Koop 'em dan HIER. De nieuwste uitgave is nu verkrijgbaar: 148 pagina’s, € 10, inclusief verzendkosten. Een leuk cadeau om aan jezelf of anderen te geven.

Wait for it...